skip to content

HOUTGASGENERATOR \

In de roerige jaren die voorafgingen aan de Tweede Wereldoorlog, werd de benzine- en diesel-voorraad in ons land steeds schaarser. Daarom werden in 1939 autoloze zondagen ingevoerd, om de motorbrandstof- voorraden op peil te houden.

Het Nederlandse leger capituleerde 15 mei 1940. Al na een paar maanden waren 9.000 van de 12.000 pompstations in ons land verzegeld. Gemotoriseerde voertuigen werden door de bezetter in beslag genomen. Had je nog de beschikking over een eigen auto, dan werd door de Rijksverkeersinspectie mondjesmaat een rijvergunning verleend.

Logisch dat het openbaar vervoer per tram en trein verdrievoudigde en zelfs de paarden-omnibus (bus getrokken door een paard) weer van stal werd gehaald. Natuurlijk kon je de fiets nemen.

Een nieuwe fiets mocht je alleen kopen, als je daarvoor een bon had en die kreeg je alleen als je verder dan 5 kilometer van je werk woonde. Halverwege de oorlog waren er al helemaal geen fietsen meer te koop. Ook bestond het gevaar dat de fiets werd

gevorderd. In de zomer van 1942 voerde de bezetter 50.000 fietsen af. Rotterdam had in 1944 nog 2 taxi's  alléén voor noodgevallen. Om toch te kunnen rijden werden oude ideeën van zolder gehaald. Gelukkig zijn mensen enorm vindingrijk en met behulp van veel creativiteit werden deze ideeën verder uitgewerkt. Zo reden er in de Eerste Wereldoorlog al gemotoriseerde voertuigen op gas. Men monteerde een enorme luchtballon of zeppelin-achtige zak op het dak van de auto, die bij de gasfabriek in de stad werd gevuld met stadsgas. Dit gas werd gehaald uit de verbranding van kolen en was hetzelfde gas, dat ook werd gebruikt in de huishoudens om te koken en de kachel te laten branden.

Men noemde het ook wel lichtgas omdat voor de straatverlichting hetzelfde gas werd gebruikt. In de Tweede Wereldoorlog kwamen deze wonderlijke alternatieve vondsten weer terug in het straatbeeld en vielen op laatst nauwelijks meer op. Echter, de stroomlijn van het voertuig werd ernstig verstoord en de zijwindgevoeligheid was enorm. Een betere oplossing bestond uit het samenpersen van het stadsgas in speciale perscilinders. Deze cilinders werden plat op het dak van het voertuig gemonteerd of in een aanhangwagentje erachter. De afstand die je er mee kon rijden (actieradius) was echter zeer beperkt.

Wie veel in de stad reed, kon zich met gasflessen of gas-zakken prima redden.

Wie echter door het hele land moest rijden, kwam er al gauw achter, dat de gasfabrieken niet op het platteland stonden.

Dé oplossing bestond uit het zelf meenemen van een gasfabriek; de gasgenerator.

Het idee was ouder dan de auto zelf, want de Fransman Lebon - de uitvinder van het lichtgas - kwam al in 1795 op het idee om uit hout brandbaar gas te onttrekken. De gasgeneratoren werden door diverse fabrieken en bedrijven ingebouwd. Bij benzinemotoren werd de carburateur vervangen door een mond-stuk waarin het gas zich met lucht vermengt. Bougies werden vervangen door exemplaren met een lagere warmtegraad. Bij dieselmotoren moesten de dieselpomp en de gloeibougies worden vervangen door een stroomverdeler en bougies; van zelfontste-king naar ontsteking. Eigenlijk waren de gasgenera-toren kleine gasfabriekjes waarin turf, cokes, bruin-kool, anthraciet of hout onder druk werd vergast tot een vluchtige brandstof.

De uitstoot van uitlaatgassen - 25 % giftige koolmonoxide - was zo ongezond, dat mensen die er veel mee werkten extra melkbonnen kregen. Geen wonder dat na de oorlog de gasgeneratoren massaal op de sloop terecht kwamen.

Coded with validXHTML, CSS and tested for WCAG Priority 2 Conformance.